Hoe OCW omging met het lerarentekort

Ruim 3500 zij-instromers hebben de afgelopen jaren hun weg naar het onderwijs gevonden. Voorlopig is dat genoeg, maar ‘het zou kortzichtig zijn het zij-instroomtraject nu stil te laten liggen,’ zeggen de deskundigen. Het onderwijs is vergrijsd, binnenkort zijn ze weer nodig.

In 2002 was het tekort aan personeel de grootste zorg van de Nederlandse bevolking over het onderwijs, bleek uit de Onderwijsmeter van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Bij haar aantreden in 2002 zei minister van OCW Maria van der Hoeven hoopvol dat de economische recessie dit lerarentekort zou oplossen. De vele werklozen zouden dan vanzelf naar het onderwijs toestromen, de Interimwet zij-instroom leraren die in 2000 in werking was getreden maakte dit mogelijk. Toch constateert de Inspectie van het Onderwijs in 2003 dat het lerarentekort in de komende jaren enorm zal zijn en het kabinet trekt voor 2004 miljoenen extra uit om dit tegen te gaan. Nog geen jaar later, in mei 2004, lijkt het lerarentekort als vanzelf opgelost. De laagconjunctuur speelt hierbij, zoals de minister twee jaar eerder al voorspelde, een belangrijke rol.
Op dit moment is de arbeidsmarkt in het primair en voortgezet onderwijs kwantitatief dan ook in evenwicht, aldus de recente nota ‘Werken in het onderwijs 2006’. Maar iedereen verwacht binnen niet al te lange tijd een nieuw lerarentekort. Het lerarenkorps is vooral in het voorgezet onderwijs zo vergrijsd dat een groot aantal docenten binnen twee, drie jaar met pensioen gaat. ‘En als de economie dan ook nog eens aantrekt, is de kans groot dat zij-instromers onmiddellijk weer naar het bedrijfsleven trekken,’ voorspelt Sjef Stijnen, hoogleraar afstandsonderwijs en plaatsvervangend directeur van het Ruud de Moor Centrum in Heerlen. In 2000 moest het onderwijs de poorten open zetten voor onbevoegde onderwijskrachten, mits deze beschikten over relevante maatschappelijke ervaring. De belangstelling was groot, overweldigend zelfs, maar de scholen hadden hun reserves. Zij waren huiverig om onbevoegden voor de klas te zetten die zij bovendien de nodige begeleiding moesten geven. Die capaciteit was er vaak niet, tengevolge van het lerarentekort.
Ook waren zittende docenten vaak sceptisch over hun nieuwe collega’s. De instromers konden meteen voor de klas en hoefden slechts een opleiding van maximaal twee jaar te volgen voordat ze zich bevoegd docent mochten noemen, terwijl de reguliere docenten minstens een vierjarige opleiding hadden doorlopen. Omdat de zij-instromers bovendien vaak meer salaris ontvingen – ze werden hoger ingeschaald omdat ze al de nodige werkervaring hadden – werden de nieuwkomers niet altijd even vriendelijk ontvangen door het zittende docentenkorps. Terugkijkend concludeert Stijnen van het Ruud de Moor Centrum voorzichtig dat ‘men er grosso modo wel positief tegenaan is gaan kijken’. ‘Kijk,’ zegt hij, ‘het is natuurlijk een oplossing die uit nood geboren is. Van de reguliere opleidingen kwamen te weinig docenten en daar moest iets op gevonden worden.’

Slechte start
Het zij-instroomtraject kende in den beginne nogal wat aanloopproblemen. Er werd getwijfeld aan de kwaliteit van de assessments die kandidaten moesten doorlopen, de begeleiding van de zij-instromers op de scholen schoot tekort, het contact tussen opleidingen en scholen verliep stroef en ga zo maar door. Om dit op te lossen is de Open Universiteit in 2002 gevraagd het Ruud de Moor Centrum op te richten om scholen en opleidingen te ondersteunen bij het opleiden van nieuwe leraren, onder wie zij-instromers. Stijnen was betrokken bij de oprichting. ‘Wij proberen op afstand, dus via internet, aanvullende begeleiding te bieden.’ Zo brengt het Ruud de Moor Centrum zij-instromers met elkaar in contact in zogeheten communities of practice waar ze aan elkaar en aan een moderator vragen kunnen stellen via e-mail en fora.
Voor Petra Kuppens was dit wellicht een uitkomst geweest. Nadat zij in 1996 was afgestudeerd aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag en een aantal jaar als zelfstandig interieurarchitect had gewerkt, besloot ze dat ze niet langer ‘haar geld in het interieurwereldje wilde verdienen’. ‘Het onderwijs leek me altijd al iets, vooral de basisschool waar je alle vakken kunt geven, leek me lekker gevarieerd,’ vertelt Kuppens. Eind 2000, de regeling voor zij-instromers was nog maar net van kracht, meldde ze zich aan als zij-instromer. Omdat Kuppens geen enkele ervaring met kinderen had, mocht ze geen assessment doen. Kuppens is toen in februari 2001 begonnen met een avondopleiding aan de Pabo in Den Haag. In september kon ze toch voor de klas, via het zij-instroom programma. Het geschiktheidsonderzoek volgde echter pas in maart. ‘Dat is echt heel vreemd verlopen toen,’ blikt Kuppens terug. Ze kwam terecht op basisschool De Fontein in Rotterdam, de stad waar ze woonde. ‘Het was echt vreselijk,’ roept Kuppens uit. ‘Ik had nog nooit zoiets gedaan, moest plannen en organiseren. Ze hadden geen taalmethode, dus die moest ik ook maar zelf verzinnen. Het was echt onbegonnen werk.’ Kuppens kreeg groep zeven. ‘De moeilijkste klas van de school, niemand wilde die groep lesgeven, dus hebben ze mij ervoor gezet, maar dat hoorde ik natuurlijk pas achteraf.’ Na twee maanden eiste ze begeleiding en de directeur is vanaf dat moment zelf de klas gaan draaien, met Kuppens als assistent. ‘Als ik dit van te voren had geweten, had ik het nooit gedaan,’ zegt Kuppens. Toch is ze blij dat ze heeft doorgezet, want inmiddels werkt ze met veel plezier, als bevoegd docente, op de Nieuwe Park Rozenburg School in de Rotterdamse deelgemeente Kralingen, de school met de omstreden gescheiden wachtlijsten voor autochtone en allochtone leerlingen om een gemengde school te behouden.

Vergoeding
Het verhaal van Kuppens staat niet op zichzelf. De Inspectie van het Onderwijs evalueerde het zij-instroomtraject in 2002 en 2003 en concludeerde dat vooral de begeleiding van de zij-instromers een groot probleem vormde. Kees Sluis, inspecteur basis- en voortgezet onderwijs vertelt dat de afstemming tussen de scholen en de docentenopleidingen erg ingewikkeld bleek te zijn. ‘De scholen waren soms helemaal niet goed geïnformeerd over het opleidingstraject dat de zij-instromer volgde,’ aldus Sluis. ‘Er waren wel contacten, maar die waren kwalitatief lang niet altijd van voldoende niveau.’ Bovendien moest van het bedrag dat scholen destijds voor een zij-instromer kregen, 10.000 euro in het voortgezet onderwijs en 9.000 euro in het primair onderwijs, zowel scholing, tijd om te studeren als begeleiding worden betaald. ‘Dat leek wel een groot bedrag, maar was het in feite niet,’ zegt Sluis. Inmiddels is de subsidie per zij-instromer dan ook opgetrokken naar 15.000 euro. Liesbeth Verheggen van de Algemene Onderwijsbond (AOB) herkent deze klachten wel. ‘Wij horen vaak dat scholen weinig ruimte bieden om mensen te begeleiden. Ik sluit niet uit dat zij-instromers hierop zijn afgeknapt.’ In de komende cao-onderhandelingen voor het onderwijs heeft de Aob dan ook extra geld voor de begeleiding van nieuwe docenten op haar verlanglijstje staan. Toch meent Verheggen, lid van het dagelijks bestuur van de bond, dat het zij-instroomtraject een goed initiatief is. ‘Mensen van buitenaf zorgen voor nieuw elan in het onderwijs.’ Dat vindt ook Ineke van Nes van het Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt (SBO). ‘Ik geef toe dat er in het begin veel scepsis bestond in het onderwijsveld, maar uiteindelijk heeft het goed gewerkt,’ aldus Van Nes, die drie jaar projectleider zij-instroom bij het SBO is geweest, de organisatie die voor het ministerie van OCW de zogeheten matchingsvoorziening tussen scholen en kandidaten heeft ontwikkeld en begeleid.

Toekomst
Zij-instromers hebben voordat ze in het onderwijs komen maatschappelijke ervaring opgedaan en hebben vaak beroepservaring in het bedrijfsleven. ‘Ze zijn creatief, gestructureerd, hebben ervaring met pr en promotie en weten hoe je een zaak kunt verkopen,’ vertelt Fred Ruijling. ‘Dat soort competenties komt niet direct voor in het onderwijs.’ Ruijling is directeur van het Edison College in Apeldoorn, een scholengemeenchap voor athenaeum, havo, vmbo en leerwegondersteuning met ruim twaalf honderd leerlingen. De afgelopen jaren heeft de school 34 zij-instromers gehad en daarop kijkt Ruijling tevreden terug. Om dit traject ook in de toekomst te laten slagen, wil hij dat beginnende docenten, onder wie de zij-instromers, meer in de school zelf worden opgeleid. Dit is een breed gedragen wens in het veld. Daarom heeft het ministerie van OCW scholen uitgenodigd mee te doen met een dieptepilot ‘opleiden in de school’. Het Edison College is een van de scholen die meedingt naar subsidie om de pilot uit te voeren. Ruijling: ‘Hiermee creëer je een professionele begeleidingsstructuur en randvoorwaarden die een goede basis bieden voor de toekomst.’ Het is volgens de schooldirecteur, overigens zelf zij-instromer in het onderwijs, van groot belang een kweekvijver te realiseren. ‘Iedereen sluit zijn ogen, maar we moeten voorbereid zijn op een nieuwe golf van een tekort aan leraren.’
Als het aan Sluis van de Onderwijsinspectie ligt, moeten veel meer steden zich wagen aan een dergelijke voorinvestering. ‘Het zou kortzichtig zijn het zij-instroomtraject nu stil te laten liggen, terwijl de lerarentekorten alweer op de loer liggen.’ Hij meent dat het onderwijs als tweede loopbaan een goed traject is om meer kwaliteit het onderwijs in te loodsen. ‘En de angst is veel minder dan een aantal jaar geleden,’ vult Ineke van Nes van het SBO aan. ‘De drempel is weggenomen en de infrastructuur ligt er, dus dan kun je die maar beter goed benutten.’

Amsterdam
Jan Kerkhof is voorzitter van de Initiatiefgroep Lerarentekort Amsterdam (ILA), waarbij alle scholen van het hoofdstedelijke primair onderwijs zijn aangesloten. In het jaar 2000 is de samenwerking begonnen en een van de eerste acties die Kerkhof destijds ondernam was het opzetten van het zij-instroomtraject. ‘Dat is vanaf het begin eigenlijk uitstekend bevallen,’ zegt Kerkhof nu, hoewel ook hij toegeeft dat het plaatsen van zij-instromers op de scholen aarzelend op gang kwam. ‘Uiteindelijk is het toch gelukt in oktober 2000 zo’n veertig personen geplaatst te krijgen, en je weet, als een schaap over de dam is…’ Kerkhof, die ook bestuurslid is van het Protestants Christelijk en Oecumenisch Onderwijs Amsterdam, waarbij 34 basisscholen zijn aangesloten, vertelt dat Amsterdam het ILA in stand houdt met het oog op de toekomstige lerarentekorten die ook in het primair onderwijs binnen een jaar of drie groot zullen zijn. ‘Ik begrijp werkelijk niet dat het ministerie nu ineens zegt dat het tekort aan docenten voor het primair onderwijs geen probleem meer is,’ zegt Kerkhof. ‘Ik weet zeker dat ook wij rond 2008 met grote tekorten te maken hebben.’ In Amsterdam wordt overigens al vooruitgekeken. De gemeente heeft onlangs besloten tachtig boventallige leraren aan te stellen die op dit moment als invalkracht fungeren, maar straks, als het tekort weer nijpend wordt, als volwaardig docent kunnen worden ingezet.

Verschenen in PM, 10 november 2005

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s